laat ons u bellen
27/12/2012

LBIO speelt ten onrechte voor rechter

In een zaak die ons kantoor behandelde, is een baanbrekende uitspraak gedaan.
Uit deze uitspraak blijkt dat het Smit & De Hart Advocaten is gelukt om aan te tonen dat LBIO ten onrechte voor eigen rechter speelde.





De zaak
Het ging om een kwestie waarin al twee rechters na elkaar (eerst bij wijze van voorlopige voorzieningen en daarna in de echtscheidingsprocedure) hadden geoordeeld dat onze cliënte, een moeder, recht had op kinderalimentatie. De rechters kwamen tot dit oordeel na een uitvoerige discussie tussen (de advocaten van) de vader en de moeder en na het bestuderen van alle stukken, rekeningafschriften, inkomensgegevens en betalingsbewijzen.
De kinderalimentatieverplichting werd door de laatste rechter ook uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat de uitspraak van de rechter gewoon ten uitvoer gelegd kan worden, dus dat onze cliënte de kinderalimantatie kan innen, ook al wordt hoger beroep ingesteld.
 
De vader was het niet eens met de verplichting om kinderalimentatie te betalen. Hij ging in hoger beroep en weigerde intussen alvast om de kinderalimentatie te betalen.
Daarmee liep hij vooruit op de uitspraak die hij verwachtte te krijgen in hoger beroep, terwijl de laatste rechter juist had gezegd dat zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad was, dus dat het hoger beroep de werking van zijn uitspraak niet zou schorsen.
 
Het LBIO
Omdat de rechter al had geoordeeld dat de vader wel moest betalen, ook als hij hoger beroep zou instellen, raadden wij onze cliënte aan om het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (het LBIO) in te schakelen. Het LBIO kan de kinderalimentatie en de inningskosten bij de alimentatieplichtige innen.
Daarop heeft cliënte het LBIO inderdaad opdracht gegeven tot het innen van de alimentatie.
 
Het LBIO kreeg vervolgens een brief van de vader, waarin hij vertelde waarom hij het niet eens was met zijn kinderalimentatieverplichting en vroeg om de inning en doorbetaling te staken.
Na het lezen van deze brief, vertelde het LBIO onze cliënte dat het LBIO de alimentatie niet meer zou innen en dat kinderalimentatie die toch binnenkwam, niet aan onze cliënte zou worden doorbetaald.
 
Met deze handelwijze trok het LBIO zich niets aan van het feit dat de rechter had gezegd dat de vader kinderalimentatie moest betalen, ook als hij in hoger beroep zou gaan.
Sterker nog: het LBIO vond dat het zelf wel voor rechter kon spelen, door op basis van één brief van de vader te beslissen dat onze cliënte de alimentatie niet mocht krijgen, in ieder geval niet tot in hoger beroep over de kwestie was beslist.
 
Wij kwamen erachter dat het LBIO wel de kinderalimentatie was blijven ontvangen, maar deze niet doorstortte aan onze cliënte.
Daarmee handelde het LBIO in strijd met haar verplichting om ervoor te zorgen dat “gelden die ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop rechthebbenden worden uitbetaald”, zoals die verplichting in de wet is vastgelegd.
 
De procedure
Wij hebben toen een kort geding opgestart voor onze cliënte, waarin we de rechter vroegen om te bepalen dat het LBIO de inning moest voortzetten en de geïnde gelden moest doorstorten.
 
In die procedure voerde het LBIO ter verdediging van haar handelwijze standpunten van de vader aan.
De standpunten van de vader waren in deze procedure echter niet relevant; de rechtbank had er al naar gekeken in de procedure tussen de vader en de moeder en de raadsheren van het hof zouden hier in hoger beroep nog eens naar kijken. Daarbij is geen taak weggelegd voor het LBIO; het LBIO dient alleen te innen en door te betalen (de zogeheten “executie” van de beschikking van de rechter) en mag niet zelf over de standpunten van de vader en de moeder oordelen. Het is aan de rechter om te bepalen wie er recht op alimentatie heeft en wie niet, niet aan het LBIO.
 
Ook stelde het LBIO dat wij de vader moesten dagvaarden.
Deze stelling was opnieuw onjuist: cliënte had al geprocedeerd tegen de vader, waarbij de rechter al had geoordeeld dat de vader inderdaad alimentatie moest betalen. Het ging er nu om dat het LBIO deze alimentatie niet leek te willen innen en doorstorten. Dit ging tussen het LBIO en onze cliënte, daarbij was de vader geen partij en dat hoorde hij ook niet te zijn.
 
De uitspraak
De rechter gaf ons gelijk: het LBIO handelde in strijd met de wet en moest dat herstellen.
 
Wij vonden bovendien dat eerst onze cliënte en daarna wij het LBIO kansen genoeg hadden gegeven om de procedure te voorkomen, dus dat het LBIO ook de kosten van de procedure moest betalen.
Ook hiermee was de rechter het eens: omdat het LBIO volledig ongelijk had, moest het LBIO ook nog een fors bedrag aan advocaatkosten, griffierechten en nakosten betalen.
 
Omdat deze uitspraak door de rechtbank gepubliceerd werd (onder nummer ECLI:NL:RBROT:2012:BZ0626), hebben veel andere websites hierover geschreven.
 
Overigens heeft Smit & De Hart Advocaten met het hoger beroep in de kinderalimentatiezaak, dat ten tijde van voorgaande uitspraak nog liep, bewerkstelligd dat de vader zelfs nog meer alimentatie aan onze cliënte moest betalen dan de rechter in eerste aanleg had beslist.
Zijn stelling dat hij niet hoefde te betalen omdat in hoger beroep wel zou blijken dat hij minder of geen alimentatie hoefde te betalen, bleek dus achteraf ook nog eens onjuist.
 
Heeft u ook problemen met de executie van een vonnis of beschikking of wilt u meer weten over alimentatieverplichtingen? Neemt u dan contact met ons op.